Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content
Meewerken aan het culturele klimaat van een nieuwe stad zoals new town Almere is een bijzondere taak voor een museumdirecteur. Macha Roesink hanteert behalve voor de stad ook voor Museum De Paviljoens haar motto 'It's an ongoing process!'. Een interview met Oscar van den Boogaard in Metropolis M illustreert deze houding.
*
Kun je iets vertellen over je manier van werken?
‘Zomaar in het wilde weg tentoonstellingen maken interesseert me niet. Er moet een reden zijn dat je wat, waar, waarom en aan welk publiek laat zien. Dat is ook de reden dat ik sinds 1994 onder de naam Rhizome werk. Rhizome vertegenwoordigt voor mij een mentaliteit die niet van een vooropgezet doel uitgaat, maar steeds uit de gegeven situatie voortvloeit. Het kan zich manifesteren op verschillende manieren zowel organisatorisch als inhoudelijk en ook bij verschillende disciplines zoals film, architectuur en beeldende kunst. Rhizome is een begrip introduceerd door de filosoof Gilles Deleuze ( - 1996) en de psychoanalyticus Felix Guattari en het betekent letterlijk grillige wortelstok. Het is natuurlijk wel beladen om zo’n begrip te gebruiken, maar het belichaamt wel heel sterk mijn manier van werken. Ik verzamel informatie en geef dat door in de vorm van tentoonstellingen, publicaties en lezingen. […]
Een rhizome is onvoorspelbaar, groeit alle kanten op.
‘Precies. Daarom heb ik al moeite met een interview. Ik wil me de luxe permitteren onvoorspelbaar te zijn. Ik wil alle kanten op kunnen met mijn projecten. Ik wil werken vanuit passie. Vanuit mijn betrokkenheid.’
Je bent stand-by in de beeldende kunst?
‘Ja, zo zou je het misschien wel kunnen zeggen. Maar pin mij niet vast op definities. Er wordt al zoveel gecategoriseerd en geformuleerd in de kunstwereld. ** […]
Je koos bij ons (1997 destijds Galerie Mot Van den Boogaard) voor verschillende presentatievormen: naast een groepstentoonstelling met het werk van Martin Creed, Don Brown en Stephen Murphy (GB), een semi-permanente neoninstallatie van Tracey Emin, en een performance in ons appartement van Yael Davids (Isr.).
‘Speciaal voor de monumentale gang naar de galerie maakte Tracey Emin de neoninstallatie It’s not me that crying it’s my soul. Deze zal een aantal maanden lang te zien zijn. Voorbijgangers worden met haar noodkreet onverwacht geconfronteerd. De tekst moet als het ware de passant overvallen. De installatie Nobody at home van Yael Davids waarvan zijzelf en twee andere personen onderdeel uitmaken vind ik het best tot zijn recht komen in de intimiteit van jullie appartement. Voor één avond.’
Typerend voor jouw attitude is je voorstel aan de redactie van Metropolis M om naast het interview ook ruimte te maken voor datgene waar het jou eigenlijk om gaat: de kunst zelf en niet de wereld eromheen.
‘De redactie reageerde positief op mijn verzoek redactioneel aandacht te besteden aan Martin Creed door hem de kunstenaarsbijdrage te laten verzorgen. In de Laure Genillard Gallery in Londen zag ik in het voorjaar van 1993 een vierkant blokje maskingtape zorgvuldig ingepakt in piepschuim en een kartonnen doosje, Work No 74 (68) uit 1992. Het achtenzestigste werk van een ongelimiteerde editie. Het bijschrift van dit vierkante blokje luidde: As many 1”squares as are necessary cut from a length of 1” masking tape and piled up, adhesives sides down, to form a 1” cubic stack. Ik ging meteen overstag en kocht er een voor de Caldic Collectie en voor mezelf. Dezelfde zorgvuldigheid en humor van Work No. 74 (68) komt ook terug in zijn latere werken. Ik zag in dezelfde galerie dia’s van de zilveren en gouden welvingen op en in de muur. Daarnaast zag ik foto’s van een installatie waarbij identieke blokjes tape in het midden van alle muren van een verzamelaar zijn geplakt. Creed weet haarfijn inzicht te geven in maatverhoudingen van bepaalde ruimtes of dit nu een doosje is, een kamer of een toilet. Toen ik hem in het najaar van 1993 vervolgens polste voor mijn plannen voor de tentoonstelling “Conceptual Living” in mijn eigen huis, reageerde hij enthousiast en zou hij een voorstel doen. Dat voorstel bleek hetzelfde principe van de tape te bevatten alleen nu uitgevoerd met ouderwetse Winckelmanstegeltjes. Hij gebruikte zoveel tegeltjes als nodig was om een vierkant blokje te krijgen. Alleen is het kubusje deze keer niet verpakt in een doos, maar op de tegelvloer in het toilet vastgezet. Op de meest ‘logische’ plek: daar waar je de eerste stap zet in dit kleine vertrek. Creed vroeg me waarom ik wilde dat juist hij mee zou doen aan de tentoonstelling, waarop ik antwoordde:” Because you can be annoyingly present with nothing in a monumental way”. Hij heeft me dus niet teleurgesteld. Want sinds mijn eerste nachtelijke kennismaking van mijn rechtervoet met Work No. 100 (1) weet ik hoe Creed aanwezig kan zijn. Zijn ideeën zijn zo simpel van opzet en uitvoering, maar hebben een enorm impact op de ruimtes waarin ze geplaatst worden.
* De manier waarop hij de structuur van ruimtes onderzoekt past hij ook toe op teksten en geluiden. In dit nummer van Metropolis M kan men zelf kennismaken met Work No 143, 1996. [tekst ‘the whole world + the work = the whole world, materiaal en afmetingen variabel, ongelimiteerde editie] Dit zijn nu de goede condities voor dit specifieke werk. Ik wil één op één situaties creëren, daar gaat het mij om.’
Oscar van den Boogaard, 'Tentoonstellingsmakers 1.', Metropolis M, februari 1997, No 1, p. 42 - 45.
www.tate.org.uk/britain/exhibitions/duveenscommission
www.martincreed.com/works/workno100.html
www.metropolism.org
www.janmot.com
www.oscarvandenboogaard.com
Venice Biennale 2001!